Met 1,4 miljoen inwoners en twintig procent van de industriële productie is BrabantStad, na de Randstad, het tweede stedelijke netwerk van Nederland. BrabantStad staat voor de samenwerking van de provincie Noord- Brabant en haar vijf grootste steden: Breda, Eindhoven, Helmond, ’s-Hertogenbosch en Tilburg. Doel van BrabantStad is dat de steden gezamenlijk sterker worden door gemeenschappelijke projecten te initiëren, elkaar te ondersteunen bij de lobby richting Rijk en Europa en door Brabant nationaal en internationaal als aantrekkelijke regio op de kaart te zetten.

Brabant zelf telt 2,4 miljoen inwoners. De industrie vormt in Brabant de grootste werk gever, met ruim 208.000 arbeidsplaatsen, waarvan 45 procent in de metaal- en elektrotechnische sector.
BrabantStad vormt de schakel tussen twee grensoverschrijdende econo mische kernzones. West-Brabant is georiënteerd op de havens van Rotterdam en Antwerpen; logistiek en proces-industrie (Moerdijk) vormen speer punten. Zuidoost-Brabant met Eindhoven als centrum vormt een nationale ‘brainport’ met een sterke ‘maakindustrie’.
In het Programma BrabantStad 2004-2008 zijn vier speerpunt projecten aangewezen waarvoor provincie en steden zich sterk maken: uitbouwen van het openbaar vervoernetwerk, realiseren van een groene mal rond de grote steden in samen hang met de ontwikkeling van het nationaal landschap ‘het Groene Woud’, organiseren van een Cultureel Brabant Festival en ten slotte het opzetten van internationale promotie en acquisitie.
|
Via gezamenlijke belangenbehartiging ondersteunt BrabantStad verder projecten als de transformatie van de stationsomgeving in Tilburg en Breda, het ontwikkelen van vijf toplocaties voor (boven)- regionale bedrijvigheid, het oplossen van knelpunten in het wegennet (onder andere de oostzijde van Eindhoven), het realiseren van voorzieningen als het nationaal zwembad in Eindhoven, de Groene Campus in Helmond en de herstructurering van de Brabant Hallen in Den Bosch.
Onno Hoes: ‘In de loop der jaren is het besef ontstaan dat we sterker staan door samen te werken dan door elkaar tegen te werken’
Gedeputeerde Onno Hoes heeft, naar eigen zeggen, een ‘geweldige portefeuille’ met onderwerpen als Economie, Europa en BrabantStad. Als voorzitter van de Stuurgroep BrabantStad is hij – samen met gedeputeerde Paul Rüpp van Ruimtelijke Ordening – de stuwende kracht achter een breed palet aan activiteiten dat de afgelopen jaren tot stand is gekomen.
Hoes vertelt enthousiast over de samenwerking van provincie en gemeenten binnen BrabantStad: ‘De start eind jaren negentig had te maken met een probleem. De grote steden met geprononceerde burgemeesters als Brokx, Nijpels en Welschen gingen ieder voor hun eigen belang. De steden afzonderlijk en Brabant als geheel maakten daardoor in het Haagse een versnipperde indruk en liepen projecten en subsidies mis.
In de loop der jaren is het besef ontstaan dat we sterker staan door samen te werken dan door elkaar tegen te werken. Natuurlijk blijven er belangentegenstellingen bestaan, maar er zijn voldoende onderwerpen waar we gezamenlijk belang bij hebben. De chemie tussen de deelnemers persoonlijk is daarbij ook erg belangrijk.’
Kenniseconomie
Hoes benadrukt dat die samenwerking niet betekent dat BrabantStad zich ontwikkelt tot een nieuwe bestuurslaag, de angst van sommige bestuurders en bedrijven in de provincie: ‘Je kunt ons beter beschouwen als een branchevereniging van individuele bedrijven die soms elkaars concurrent zijn en elkaar op andere momenten weer nodig hebben. De provincie vormt daarbij de bindende kracht, die enthousiasmeert en initieert.’
Hoes telt zijn zegeningen en wijst op successen als de aanwijzing van het nationaal landschap Het Groene Woud en op subsidies voor het openbaarvervoernetwerk, waardoor de steden en wijken binnen die steden beter met elkaar worden verbonden: ‘Allemaal zaken waardoor het totale leef- en vestigingsklimaat in Brabant erop vooruitgaat.’
Als verantwoordelijk portefeuillehouder benadrukt Hoes het belang van BrabantStad voor de regionale economie: ‘Door de aard van de bedrijvigheid loopt Brabant voor op de rest van Nederland. We zien dat de economie hier weer stevig aantrekt. De sterke positie van Brabant blijkt uit de investeringen van buitenlan
dse bedrijven: in 2004 was dat maar liefst tachtig procent de totale investering.
Eén van de drie (door uitgevers verkregen) patenten is afkomstig uit Brabant! Brabant scoort hoog in het aantal technostarters en in het aandeel snelgroeiende bedrijven |
Dit heeft te maken met de verbinding tussen de havens van Rotterdam en Antwerpen enerzijds en de relatie met het Ruhrgebied anderzijds. De opgave voor de toekomst is om de economische ontwikkeling verder te faciliteren. BrabantStad heeft daarbij vooral een voorwaardenscheppende rol, door te zorgen voor goede infrastructuur, onderwijs en moderne bedrijventerreinen.’
In dit verband wijst Hoes op de activiteiten van de Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij (BOM) om de komende tien jaar 1295 van de vijfduizend hectare verouderd bedrijventerrein te herontwikkelen.
Hoes: ‘Brabant zal de slag moeten maken naar een sterke kenniseconomie. Er is in de industrie nog veel laaggeschoold werk en veel bedrijven zullen het door de toenemende globalisering niet redden.
De kansen liggen in hoogwaardige technologische productie, in research en development, ontwerp en marketing. Niet voor niets ondersteunen wij vanuit BrabantStad dan ook initiatieven als de Brabant Medical School en de ‘Maintenance Valley’. Dit laatste project gaat over het concentreren van bedrijven en defensie-instellingen die vliegtuigonderhoud doen. Dit moet zij
n beslag krijgen rond de vliegbasis Woensdrecht.
Ook hebben we een stevige lobby opgezet om de afdeling Automotive van TNO vanuit Delft naar Helmond te krijgen. Dat is gelukt. Daarmee is er een volledige keten van schakels in de automobielindustrie. Tot slot proberen we de samenwerking tussen grote bedrijven, MKB en het onderwijs te stimuleren.’
‘Door de aard van de bedrijvigheid loopt Brabant voor op de rest van Nederland’
OV-netwerkIn het openbaar vervoer-netwerk investeert het Rijk in totaal 1.174 miljoen euro. Voor de eerste fase (244 miljoen t/m 2007) is een toezegging van 129 miljoen van Rijk en van de provincie Noord-Brabant van 107 miljoen euro. Voor 2008-2011 zijn nog geen toezeggingen. |
Nieuw zelfbeeld
De transformatie die de Brabantse economie de afgelopen decennia heeft ondergaan en de komende jaren nog zal ondergaan, heeft volgens Hoes verregaande implicaties: ‘Het zelfbeeld van de Brabander ten aanzi
en van de eigen provincie is dat van een verzameling dorpen. Het platteland – dat wil zeggen de agrarische sector – is echter allang niet meer de enige motor van de economie.
Het geld wordt verdiend in de industrie, de bio medische sector en in de dienstverlening. Een zeer groot deel van de bevolking woont in de steden. Eindhoven en Tilburg zijn de vijfde en zesde stad van het land en de steden groeien fysiek steeds meer naar elkaar toe.’
Brabant is, aldus Hoes, ‘inmiddels meer een stedelijk dan een landelijk gebied. Het is een netwerk van steden die economisch, cultureel en qua woningmarkt met elkaar samenhangen en zijn verbonden door infrastructuur en een prachtige, groene omgeving.’
Het komende jaar buigen ontwerpers uit de vijf steden en de provincie zich over de ruimtelijke invulling van BrabantStad in de toekomst.
Zij maken de contouren van BrabantStad in 2030 zichtbaar. Een interessant project dat richting geeft aan het nieuwe Programma BrabantStad voor de periode 2008-2012. Ook communicatief heeft deze ontwerpexercitie gevolgen.
Hoes: ‘We moeten de bevolking laten zien dat steden leuke plekken zijn om te wonen en te werken. Dat is van belang voor het leefklimaat in de steden en op het platteland. Aan de andere kant moeten we de positieve kanten van het dorpse leven proberen te
behouden. Brabant kent niet de grootschaligheid en anonimiteit van de steden in de Randstad.
Er is hier nog steeds een cultuur van consensus, van harmonie en samen om tafel de problemen oplossen. Dat is ook de basis voor het succes van het fenomeen BrabantStad.’
Als ‘schonste stad van ’t laand’, zoals de Tilburger met enig gevoel voor overstatement de eigen gemeente wel noemt, is Tilburg allang niet meer het lelijke eendje dat het jarenlang was.
Els Aarts: ‘Bindend element van Tilburg is dat de Brabantse economie op een hoger niveau moet worden getild’
De geblakerde torens van de textielfabrieken en lege fabrieksterreinen hebben de afgelopen decennia plaatsgemaakt voor moderne kantoor- en woontorens, voor cultuurpaleizen en aantrekkelijke woonwijken. Tilburg is niet langer die arme textielstad van Nederland, maar een stad van bedrijvigheid en steeds meer een stad van cultuur, dienstverlening en onderwijs.
‘Tilburg is nog steeds te bescheiden’, zegt wethouder Ruimtelijke Ordening Els Aarts: ‘Als je aan een lid van de Tweede Kamer vraagt hoeveel inwoners Tilburg heeft, komt ie met moeite tot honderdduizend. Welnu, we hebben er tweehonderdduizend.’
Om de positie van Tilburg verder te illustreren, wijst Aarts op de medische sector (de grootste werkgever in de stad), op het grote aantal excellente gereedschapsmakerijen, op 013 (de grootste poptempel) en op het complete pakket kunstopleidingen.
Aarts: ‘Het succes van Tilburg heeft te maken met het feit dat we geen mooie, historische stad zijn en geen poeha hebben. Hier kan alles. Die dynamiek heeft een grote aantrekkingskracht op bedrijven, kunstenaars en jongeren. Maar we mogen daarmee best meer aan de weg timmeren.’
Zelfvertrouwen
De houding van Aarts en de gemeente Tilburg is exemplarisch voor het herwonnen zelfvertrouwen van Brabant. Aarts is dan ook een fervent supporter van het fenomeen BrabantStad: ‘Brabant is de belangrijkste industriële regio van het land. Het belang daarvan wordt eindelijk door de politiek en beleidsmakers in Den Haag onderkend. Door als grote gemeenten en provincie samen te werken, staan we nadrukkelijk bij VROM en Verkeer & Waterstaat op de kaart.’
Zonder haperen noemt Aarts een aantal successen dat Tilburg aan de samenwerking en lobby van BrabantStad heeft te danken: de aanleg van station Reeshof (16 mln), de Birk-subsidie voor de Spoorzone (14 mln), de verbreding van het Wilhelminakanaal (60 mln) en de afronding van de noordelijke Randweg (70 mln). En niet te vergeten de aanwijzing van het natuurgebied ‘het Groene Woud’ als nationaal landschap, direct grenzend aan de noord-oostflank van de gemeente Tilburg.
Aarts: ‘Deze successen bewijzen dat we samen sterker staan dan alleen.’ Het geloof in BrabantStad was volgens Aarts echter geen vanzelfsprekendheid: ‘De lokale politiek zag eind jaren negentig wel in dat er iets moest gebeuren.
De eyeopener was dat we de Open Universiteit verloren aan Maastricht. Individuele collegeleden en veel raadsleden vonden BrabantStad in het begin echter allemaal maar theoretisch geneuzel; tijdsverspilling en weggegooid geld aan dure folders. Ook het bedrijfsleven was niet erg enthousiast: men was bang voor een vierde bestuurslaag, met als gevolg meer bureaucratie, gedoe en vertraging van besluitvorming.’
Het vertrouwen in het fenomeen BrabantStad is volgens Aarts dan ook van recente datum. De positie van Brabant in de nota Ruimte en het binnenhalen van enkele grote subsidies hebben de twijfelaars over de drempel geholpen.‘
Gemeenschappelijk belang
‘Brabant is de belangrijkste industriële regio van het land’
De rode draad van het concept BrabantStad vormen volgens Aarts de gemeenschappelijke belangen die de gemeenten hebben op het gebied van de economie, bereikbaarheid en ruimtelijke ordening.
Aarts: ‘Tilburg is een goed voorbeeld. Economisch hebben we een duidelijke relatie met Eindhoven door de industrie en de aanwezigheid van twee universiteiten met ieder een eigen karakter. Wij alpha en gamma, en Eindhoven beta. Bij de ruimtelijke ordening en woningmarkt is er weer een sterke band met Breda; beide steden grenzen zowat aan elkaar.
En voor ons alledrie geldt dat de A58 de levensader is van het westen naar het oosten. Het is dus uitermate belangrijk om ieders belangen op elkaar af te stemmen.’
Bindend element is, aldus Aarts, dat de Brabantse economie op een hoger niveau moet worden getild: ‘De afgelopen decennia hebben we ons erg gefocust op logistiek en distributie. Dat sloot ook aan op de kwaliteit van de beroepsbevolking. De toegevoegde waarde in termen van werkgelegenheid en grondopbrengsten is echter gering, terwijl het zeer ruimte-extensieve sectoren zijn.
Voor de toekomst zullen we het moeten hebben van de kenniseconomie. Samenwerking van bedrijfsleven, onderwijs en overheid is dan essentieel. Ook moet er gezamenlijk bij de acquisitie van bedrijven in het buitenland worden opgetrokken; Brabant heeft meer smoel dan Tilburg alleen.
Tot slot moeten we ervoor zorgen dat de leefomgeving aantrekkelijk blijft. Dat betekent investeren in aandacht en zorg voor het landschap en de natuur. Dat kan alleen als je een gezamenlijke visie hebt en er samen voor gaat.’
Paul Hoen: ‘Niet
alleen het stedelijke
karakter van BrabantStad
vraagt om aandacht,
maar ook het versterken
van de kwaliteit van de groene mal’
‘Als grote ontwikkelaar in Brabant, zijn wij zeer geïnteresseerd in het fenomeen BrabantStad.’ Aan het woord is Paul Hoen, regiodirecteur Zuid van Bouwfonds MAB. ‘Al sinds 2002 denken de provincie en vijf grote steden in een netwerkverband na over hun toekomst.
Zij willen zich op basis van complementariteit profileren in de concurrentiestrijd met andere steden en regio’s. Op dat vlak speelt een aantal ontwikkelingen waarmee ook wij als ontwikkelaar te maken hebben. Zo krijgt de economische groei in de stedelijke agglomeraties meer dan elders gestalte. Daar willen wij bij zijn, niet alleen om ‘projecten te doen’ in en bij de steden, maar ook om mee te denken; bijvoorbeeld over de gebieden tussen de steden.
Om de steden als motor van de regionale economie te laten draaien, moet worden geïnvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit van die steden als vestigingplaats voor bedrijven en hun werknemers. Het gaat er niet om overal dezelfde voorzieningen en kwaliteit aan te bieden maar juist om kleur te be-kennen. Met bijzondere concepten zoals Brandevoort in Helmond en Haverleij in Den Bosch kunnen wij hieraan een bijdrage leveren.’
Versnippering tegengaan
‘Niet alleen het stedelijke karakter van BrabantStad vraagt om aandacht, maar ook het versterken van de kwaliteit van de groene mal,’ aldus Hoen. ‘Een belangrijke trend betreft de veranderingen binnen de landbouw en de daarmee samenhangende reconstructie van het buitengebied.
Net als elders in Nederland neemt het aantal boeren en agrarische bedrijven af. Door de globalisering staat de landbouw onder druk. Daardoor ontstaan nieuwe kansen; voor de natuur, maar ook voor projectontwikkeling.
Neem bijvoorbeeld de ruimte-voor-ruimte-regeling: die biedt mogelijkheden om oplossingen te vinden voor de herstructurering van de intensieve veehouderij en de glastuinbouw en voor de vervuiling van het buitengebied.
Wel zal hier creatiever mee om moeten worden gegaan. Een actieve en risicodragende financiële participatie van marktpartijen in de ruimtevoor- ruimte-regeling betekent in de praktijk immers nog niet dat je ook daadwerkelijk rechten verwerft om te bouwen. Tot nog toe hebben we ons dan ook terughoudend opgesteld.’
Een andere kans vormt het fenomeen nieuwe landgoederen. Hoen: ‘Voor de provincie en natuureigenaren is het interessant omdat zij door projectontwikkeling middelen kunnen genereren voor natuurontwikkeling en onderhoud (rood voor groen).
De haalbaarheidsstudie ‘Niet polderen, maar rekenen!’ die Bouwfonds en het Nationaal Groenfonds voor het Groene Hart hebben gemaakt, zou ik best een Brabantse vertaling willen geven.
Dat is wat je noemt ontwikkelingsplanologie; een proactieve en constructieve bijdrage van marktpartijen in de ruimtelijke ontwikkeling van onze provincie. Voor ons vormt het een mogelijkheid om ook in het buitengebied actief te zijn
en daar onze expertise te kunnen inzetten.
Overigens staan wij terughoudend tegenover bouwen in het buitengebied. We vinden dat een verdere versnippering van het landschap – zoals in Brabant de afgelopen decennia heeft plaatsgevonden – juist moet worden tegengegaan. Als er gebouwd wordt, dan wel graag vanuit een zorgvuldig geformuleerde gebiedsvisie. Met modieuze onder werpen, zoals de roep om meer weidewinkels, moet zorgvuldig worden omgegaan.
De provincie speelt op dit vlak door de veranderende wetgeving een belangrijke rol. Ook hier is terughoudendheid gewenst vanwege het belang van de stedelijke centra en wijkcentra. Bovendien leidt bouwen in het buitengebied tot nog meer mobiliteit.’
‘Brabant staat nog ingrijpende veranderingen te wachten’
Bouwtempo en kwaliteit
‘In de praktijk van alledag hebben we met BrabantStad overigens niet zoveel te maken’, ligt Hoen toe. ‘We zijn vooral gericht op de ontwikkeling van concrete projecten. Dan is primair de gemeente je gesprekspartner. BrabantStad, als overlegplatform van de grote gemeenten, zou overigens best een actievere rol kunnen spelen bij de bevordering van de bouwproductie.
Je ziet grote verschillen tussen de steden. Tilburg, Den Bosch en Helmond staan bijvoorbeeld veel positiever dan de andere steden tegenover samenwerking met marktpartijen in een vroegtijdig stadium.
In de eerstgenoemde steden worden creatieve oplossingen gevonden en risico’s gedeeld, waardoor het bouwtempo veel hoger ligt dan elders en de plannen kwalitatief beter zijn. Ik bepleit hierover een open gedachtewisseling en uitwisseling van ervaringen. Daarbij is iedereen gebaat.
Door de lage rentestand is de markt voor koopwoningen op dit moment erg goed. De komende jaren wordt de behoefte aan nieuwe woningen vooral bepaald door drie ontwikkelingen: verdere afname van de gemiddelde woningbezetting (forse groei eenen tweepersoonshuishoudens), vergrijzing (groeiende groep vijftigplussers met andere woonwensen) en de ontwikkeling van het tweedewoningbezit.
Vergrijzing moet overigens niet alleen worden vertaald in de bouw van nieuwe appartementen en woonzorgcomplexen. Er zullen inspanningen moeten worden geleverd om deze categorie bewoners beter te laten doorstromen, zodat er ook meer ruimte komt voor groepen aan de onderkant van de woningmarkt.
Tot slot vind ik dat de partners in BrabantStad het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven de komende tijd actiever bij de beleidsvorming kunnen betrekken. Ze moeten oppassen niet te veel binnen hun bestuurlijke circuit te blijven hangen.
Om een voorbeeld te geven: de herstructurering van het Bredase stationsgebied wordt momenteel puur vanuit de gemeentelijke overheid als een mega project aangestuurd; daarmee worden kansen gemist.
Dit geldt ook voor praktische zaken zoals het bouwtempo, en tevens voor de visievorming op de lange termijn. Brabant staat nog in grij pende veranderingen te wachten. De een voudige productie-industrie zal verdwijnen.
De uitdaging is om een echte kenniseconomie te worden met Eindhoven als brainport van het zuiden. Dit vraagt om een andere mentaliteit en ruimte voor mensen met een andere leefstijl. En dat vraagt ook weer om specifieke woon- en werkmilieus die passen binnen de eigen Brabantse context. Bouwfonds is stevig regionaal verankerd en wil daarover graag meedenken en haar nationale en internationale ervaring inbrengen.’
Thema: Beleid
Uit NAW # 20 - voorjaar 2006 - pagina 4-11
Auteur Jan Rutten
Beeld Georges van Wensveen
Opvallend
Opvallend