Wat maakt de stad aantrekkelijk? Waarom willen mensen er graag wonen, werken, winkelen, zijn? En welke invloed heeft de stad zelf op mensen? Stadssocioloog dr. Lodewijk Brunt deed jarenlang onderzoek naar de stad als sociologisch fenomeen. Op een terras in Amsterdam praat hij over de stad als huiskamer, als schouwtoneel, als inspirator. “Er is geen recept voor het perfecte plein.”

De stad wordt vaak omschreven als een levend organisme. Is dat ook hoe u de stad ziet?
Lodewijk Brunt: “Die beeldspraak getuigt van een nogal harmonieus beeld van de stad, namelijk dat de verschillende onderdelen van het organisme precies op elkaar aansluiten en met elkaar samenwerken, met een rustig kloppend centraal hart, enzovoorts.
Verkeersaders, het weefsel van de stad: inderdaad allemaal veelgebruikte termen om de stad als levend organisme aan te duiden. En er zijn nog meer metaforen: de stad als machine, de stad als jungle, waarin je moet zien te overleven. Achter al die metaforen zitten normatieve connotaties over wat de stad is of zou moeten zijn.”
Hoe kijkt u als stadssocioloog dan naar de stad?
“Voor mij is de belangrijkste ingang om naar de stad te kijken de openbaarheid, als tegenhanger van de privé-sfeer. De openbare ruimte is wat een stad tot stad maakt en haar onderscheidt van het dorp. Er heerst altijd een zekere spanning tussen openbaar en privé. Ook zoals wij hier nu zitten, op een terras, daarmee privatiseren we een stukje van de stad, we pikken een stukje stad in.
Door onze aanwezigheid drukken we een stempel op dit deeltje van de openbare ruimte. Openbaarheid bestaat eruit dat zonder toestemming van autoriteit mensen zich vrijelijk kunnen bewegen. En dat is een kwestie van inschikken, van met de ander rekening houden. De perfecte balans tussen privé en openbaar bestaat niet, er is altijd in zekere mate sprake van spanning. Maar dat maakt de stad ook juist zo spannend!”
Ik hoor daar thuis
Maar niet iedereen heeft dezelfde ideeën over rekening houden met de ander. En dan kan die openbaarheid ook iets bedreigends krijgen.
“Ja, dat is de schaduwkant van de openbaarheid. Groepjes jongeren die rondhangen kunnen voor andere groepen heel angstwekkend zijn. Of iemand die zich overduidelijk al een tijdje niet heeft gewassen, daar loop je met een grote boog omheen. De oriëntatie op de openbare ruimte is sterk etnisch-cultureel bepaald. In Europa vinden we de openbare ruimte belangrijk voor het functioneren van de stad.
Overheden zorgen ervoor dat de openbare ruimte het visitekaartje van de stad is. We tuigen haar op, mensen identificeren zich ermee. Het zorgt voor verbondenheid, voor trots, een gevoel van ‘ik hoor daar thuis’. Maar bijvoorbeeld in India, waar ik veel ben geweest, voelen mensen zich helemaal niet betrokken bij de openbaarheid, niemand voelt zich daar verantwoordelijk voor. Die is dan ook vaak een klerezooi.
Dat heeft te maken met de wijze van staatsvorming. De machthebbers in de burgerlijke natiestaten van het Westen hebben de openbare ruimte al vroeg ingezet als middel tot staatsvorming. India bestond lange tijd uit feodale staatjes, waar geen gevoel van gezamenlijkheid heerste.”
‘Een goede openbare ruimte is een ruimte waar mensen fatsoenlijk kunnen zitten’
Als u naar de openbare ruimte kijkt, ziet u dus voornamelijk mensen en hoe die zich gedragen in de openbare ruimte. Heeft de manier waarop de openbare ruimte is ingericht, invloed op het gedrag van mensen?
“Je kunt zeker stellen dat mensen zich afhankelijk van de context gedragen. Voor een deel heeft dat te maken met hoe de openbare ruimte eruitziet. In Amsterdam bijvoorbeeld is de openbare ruimte heel informeel ingericht, met overzichtelijke pleintjes zoals het Spui, en geen dwingende verkeersstructuren. Je ziet dan ook dat de sfeer in een stad als Amsterdam heel relaxed is.
Je wordt niet op je vingers gekeken, je hoeft je niet netjes aan te kleden, de stad is een beetje het verlengde van je huiskamer. Maar aan het puur observeren van mensen in de openbare ruimte kun je nog niet zo veel conclusies verbinden. Over wat ze ervaren, wat hun gevoelens zijn en hun motieven weet je nog niets, daar zul je ze op moeten bevragen.”
Maar kun je wél conclusies trekken over de relatie tussen het gedrag van mensen en de ruimtelijke inrichting?
Die relatie is niet zo zwart-wit en er is moeilijk de vinger op te leggen. Ik kom er steeds meer achter dat het vooral kleine dingen zijn waar je als planner of inrichter rekening mee moet houden. Zoals zorgen dat er bankjes zijn, waar mensen prettig even op kunnen zitten. Een goede openbare ruimte is een ruimte waar mensen fatsoenlijk kunnen zitten.
Ook overzichtelijkheid is goed, dat stelt mensen gerust. Maar niet alleen de ruimtelijke inrichting, ook andere zaken zijn daarbij van belang. Bijvoorbeeld dat de openbare ruimte niet wordt gedomineerd door één bepaalde groep, want dat geeft mensen vaak een ongemakkelijk gevoel. Juist de mix van veel verschillende soorten mensen maakt de sfeer aangenaam en ontspannen.”
‘De openbare ruimte is een schouwtoneel waar je steeds andere mensen tegenkomt’
Schouwtoneel
Een ontspannen openbare ruimte is dus belangrijk, maar volgens u speelt ruimtelijke inrichting daarbij geen doorslaggevende rol. Staat u sceptisch tegenover het vak stedenbouw? De stedenbouwer gaat er immers van uit dat zijn ingrepen wel degelijk het gedrag of het gemoed van mensen beïnvloeden.
“Ik sta inderdaad sceptisch tegenover de stedenbouw. Ik denk dat de bedoelingen van stedenbouwers vaak verre van duidelijk zijn voor de gebruikers. Mensen oriënteren zich dikwijls op heel andere manieren in de stad dan stedenbouwers denken.
Stedenbouwers en ontwerpers bieden een potentiële ruimte aan stedelingen, maar de manier waarop deze gebruikt wordt, de effectieve ruimte, is wat mij boeit. En daarbij geloof ik niet in een architecturaal determinisme: als je huizen of straten op een bepaalde manier bouwt, heb je nog lang geen garantie dat mensen zich gaan gedragen in overeenstemming met de achterliggende bedoelingen.
Een project als de Bijlmer jaren geleden is daar een tragisch voorbeeld van. En wat de inrichting van pleinen betreft, daar is geen perfect recept voor te geven, een stedenbouwkundige oplossing die altijd werkt. De Dam is een goed plein, vanwege zijn openheid. Maar een plein als Plaza Royal in Madrid is ook heel populair en dat is juist heel besloten. Succesvolle pleinen hebben eigenlijk maar één ding gemeen en dat is dat je er goed kunt zitten. Heel banaal, maar het is veel crucialer dan al die grootse ontwerpdingen.”
Wat is dan precies de stedelijke ervaring? Waarom vindt iedereen het zo leuk om in de stad te zijn en op bankjes te zitten?
“De massa en de diversiteit zijn belangrijk. Zien en gezien worden. Dat werkt verfrissend, stimulerend. Je ziet voorbeelden van hoe mensen eruitzien en hoe ze zich gedragen. Je doet nieuwe ideeën op. En omdat je er zelf midden in staat, er een onderdeel van bent, is het een heel intensieve ervaring. Dat is stukken leuker dan een film kijken op tv. De openbare ruimte is een schouwtoneel waar je steeds weer andere mensen tegenkomt.”
Poel van inventie
Is dat ook uw persoonlijke fascinatie met de stad? Eén van uw boeken heet ‘De magie van de stad’.
“Ja, ik vind de stad een overweldigende ervaring. Dat enorme scala aan menselijke emoties en verschijningsvormen waar je mee wordt geconfronteerd in een kosmopolitische en veelzijdig samengestelde stad. De heterogeniteit, de mogelijkheid van elkaar te leren. De magie van de stad is het menselijk drama in optima forma. De stad is ook een beschavingsatelier, waar mensen met verschillende achtergronden leren met elkaar om te gaan.
Voor sommige groepen kan de stedelijke ervaring een bevrijding betekenen. Denk aan homoseksuelen, maar ook op meisjes en vrouwen van de tweede generatie allochtonen zie je dat de stad een enorme emancipatoire werking heeft. In een stad ben je gelijke onder gelijken. Iedereen hoort erbij en er is geen duidelijke hiërarchie van bepaalde normen en waarden over hoe je je moet gedragen. Behalve het respecteren van elkaars identiteit en vrijheid.”
De stad is niet altijd zo populair geweest. Ook in Nederland is er met name in het begin van de vorige eeuw veel weerzin geweest tegen de vermeende slechte invloed van de grote stad.
“De waardering voor de stad gaat in cyclische bewegingen. Op dit moment is stedelijk wonen weer heel erg populair, met name onder een- en tweepersoonshuishoudens. Maar ook het werken en recreatief winkelen en verblijven in de stad is voor veel mensen op dit moment heel aantrekkelijk. Ik hou het toch op de waanzinnige stimulans die er van de stedelijke ervaring uitgaat.
Kijk alleen al naar het gigantische aanbod aan diensten en producten. Neem de Nieuwe Hoogstraat in Amsterdam. Daar zit naast elkaar een fourniturenwinkel, een vliegerwinkel, een tassenwinkel en een winkel met hippe gymschoenen. De stad is een poel van inventie, waar vanuit allerlei subculturen nieuwe dingen naar de oppervlakte sijpelen. Nieuwe producten die de economie aanjagen en die mensen de mogelijkheid tot zelfexpressie bieden. En al die boeken, al die kunst die hier te koop is!”
Als u, tot slot, tóch een metafoor zou moeten kiezen voor de stad, welke is dat dan?
“Dan is dat de stad als markt, de stad als bazaar. Dat slaat op de intens
ieve, heterogene stedelijke verhoudingen, waarbij uitwisseling steeds centraal staat. We hebben elkaar nodig, ik bied iets aan dat jij wilt hebben, enzovoort. Een marktplaats van innovatie en creativiteit met een grote mate van uitwisseling.
Mensen zijn er actief handelende burgers, met hun behoeften en wensen. De metafoor van de stad als levend organisme gaat mijns inziens te veel uit van een passief mensbeeld, waarin de mens zich voegt naar de min of meer automatische werking van het organisme. Nou, zo passief is de doorsnee-stedeling niet hoor.”
Thema: Binnenstedelijke herstructurening, Beleid
Uit NAW #28 - Juni 2008 - pagina 14-19
Auteur Anne Luijten
Beeld Hans van de Heuvel
