Het Nederlands cultuurlandschap schreeuwt om aandacht: verpaupering, verschraling en verwaarlozing liggen op de loer. Beleid is er genoeg, maar hoe geef je dat beleid concreet handen en voeten? Een integrale aanpak is ook hier een vereiste, vinden Gertine van der Vliet en Ivo Rooze (respectievelijk directeur en medewerker Marktontwikkeling & Strategische Advisering) van het Nationaal Groenfonds en het Nationaal Restauratiefonds.

Eind vorig jaar presenteerden het Nationaal Groenfonds en het Nationaal Restauratiefonds gezamenlijk het rapport ‘Investeren in landschap'. De samenwerking tussen de twee fondsen is kenmerkend voor de visie die erin centraal staat. Landschap is immers meer dan groen en natuur, de bebouwing vormt een cruciaal element. Door de handen ineen te slaan presenteerden het Groenfonds en het Restauratiefonds aanbevelingen die bijdragen tot een betere samenhang tussen monument en omgeving.

‘Er is veel gedaan aan natuurontwikkeling en natuurbescherming', vertelt Van der Vliet, ‘maar het ontbreekt nog aan een integrale visie voor het cultuurhistorische landschap. Dit rapport bundelt een aantal visies en onderbouwt die met cijfers. Mede door de inzet van onze voorzitter, Pieter van Vollenhoven, kan het rapport landelijke en provinciale politici niet zijn ontgaan. Het rapport biedt concrete aanbevelingen voor een regeerakkoord en het beleid van de nieuwe Provinciale Staten.'

‘Naast overheidsgeld zijn er meer manieren om investeringen in landschapen te financieren'

Groene omgeving

Nog altijd bestaat zeventig procent van Nederland uit agrarisch gebied. Groen genoeg zou je zeggen, maar dat is niet het geval.

Rooze: ‘Sinds de jaren zeventig is door schaalvergroting in de agrarische sector de nietbebouwde omgeving eenzijdiger geworden. Leegstaande boerderijen vervallen en het beheer van de landschappen blijft achter.

Kenmerkende structuren zijn in rap tempo verdwenen. Open gebieden worden volgebouwd, mensen willen immers graag in een groene omgeving wonen. Er moet nu echt iets gebeuren om de landschappen te beschermen.'


Het huidige nationale landschapsbeleid is verwoord in de Nota Ruimte (2004). Hierin zijn twintig gebieden aangewezen als Nationale Landschappen waarover het Rijk de regie voert.

‘De Nota Ruimte is een goed uitgangspunt voor beleid', vindt Van der Vliet. Maar er dreigt een gevaar. Voor de Nationale Landschappen is gekozen voor het ‘ja-mitsprincipe'. Dat betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen binnen die gebieden mogelijk blijven, mits de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt.

Er is bijvoorbeeld ruimte voor woningbouw als het migratiesaldo nul is: er mag alleen worden gebouwd voor de lokale bevolking. In de praktijk blijkt dit een te zwak criterium. In het Groene Hart leveren alle bouwplannen bij elkaar toch een positief migratiesaldo op, zo blijkt uit recente berekeningen van de Milieufederatie. Daarom pleiten Van der Vliet en Rooze ervoor om voor bijzondere gebieden in de Nationale Landschappen een ‘nee-tenzij-uitgangspunt' te hanteren.

Decentralisatie

Planologische duidelijkheid is een eerste vereiste voor integraal landschapsbeleid. Daarbij zijn de gevolgen van decentralisering een punt van aandacht. ‘De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het beleid ligt bij de provincies, maar die aarzelen nog om gebruik te maken van hun bevoegdheden', constateert Van der Vliet.

Zo hebben de provincies vanuit de Natuurbeschemingswet de mogelijkheid om beschermde landschappen aan te wijzen, maar heeft nog geen enkele provincie hiervan gebruikgemaakt. ‘Het kunnen wijzigen van bestemmingsplannen is een krachtige bevoegdheid van gemeenten. Maar de overheden daarboven moeten de bovenlokale belangen behartigen.'

Als voorbeeld van een risico noemt Van der Vliet de industriegebieden. ‘Gemeenten beconcurreren elkaar door goedkope bedrijfsruimten aan te bieden. Economie gaat vaak voor groen en daarom is regionale regie noodzakelijk. Landschappen zijn immers vrijwel altijd gemeentegrensoverschrijdend.'

Verdwijnen agrarisch cultuurlandschap

• Tussen 1924 en 1985 vonden 1.700 ruilverkavelingen plaats in 70% van het landelijke gebied.
• In Nederland werd 95% van alle beeklopen en 50% van alle rivieren rechtgetrokken.

Verstedelijking:

• 15% van het Nederlandse landoppervlakte is verstedelijkt
• Groei oppervlakte bebouwd gebied in Nederland 1990-2000: bijna 25%
• Groei oppervlakte bebouwd gebied in Europa 1990-2000: gemiddeld 25%

Aantal agrarische bedrijven

• Schaalvergroting: totaal areaal gelijk gebleven, gemiddelde grootte van de bedrijven is toegenomen van bijna 14 ha naar ruim 22,5 hectare

Het Investeringsbudget Landelijke Gebieden geeft een basis van financieringsmogelijkheden. Maar in de praktijk blijkt dit tegen te vallen. Er is geld nodig, veel geld. Voor de twintig Nationale Landschappen is een berekening gemaakt voor het benodigde herstel en onderhoud. Het ambitieniveau van het Rijk staat niet in verhouding tot de benodigde inspanningen voor ontwikkeling en behoud van de Nationale Landschappen.

‘Onder aan de streep blijkt dat er per jaar 259 miljoen euro nodig is', rekent Rooze voor. ‘In het Investeringsbudget Landelijke Gebieden is hiervoor bijna 12 miljoen euro gereserveerd. Er is dus een jaarlijks gat van 247 miljoen waarvoor het Rijk over de brug moet komen.' Binnen het Investeringsbudget is de verdeling bovendien nog sectoraal geregeld en niet integraal. Er is bijvoorbeeld 6,8 miljoen gereserveerd voor cultuurhistorie.

‘Dat lijkt heel wat', aldus Rooze, ‘maar verspreid over zeven jaar en verdeeld over twaalf provincies is het niet meer dan een druppel op de gloeiende plaat.'

‘Binnen het Investeringsbudget is de verdeling nog sectoraal geregeld en niet integraal'

Instrumenten

Een financiële impuls vanuit het Rijk staat dus hoog op het verlanglijstje van het Nationaal Groenfonds en het Nationaal Restauratiefonds. Maar ze hebben ook iets in de aanbieding. Er zijn namelijk meer mogelijkheden voor financiering van behoud en herstel van landschappen. Niet voor niets is de ondertitel van het rapport ‘van beleid naar financiële instrumentatie'. Concrete suggesties om geld voor landschappen te genereren, worden in het rapport uitgewerkt. Zoals de actualisering van de regeling groenprojecten.

Van der Vliet: ‘Om in aanmerking te komen voor fiscaal aantrekkelijke financieringsconstructies, moeten projecten een groenverklaring hebben. Maar in de praktijk blijkt dat innovatieve groene initiatieven voor natuur en landschap niet in aanmerking komen voor zo'n verklaring door de ingewikkelde en verouderde regelgeving van VROM.'

Een ander instrument met potentie is een zogenaamd ‘fonds voor de fondsen'. Regionale landschapsfondsen financieren groen/blauwe diensten die vooral door voormalige agrariërs worden uitgevoerd. Zij krijgen een vergoeding voor beheerwerkzaamheden. Maar de lokale en regionale binding van dergelijke landschapsprojecten brengt een risico van versnippering met zich mee.

Door deze fondsen achter de schermen te bundelen, ontstaat meer financiële massa, efficiency en een gecoördineerde toegang tot de kapitaalmarkt. In Overijssel is inmiddels zo'n systematiek gestart waarbij regionale landschapsfondsen via het Groenfonds worden gebundeld tot één provinciaal fonds. Naast overheidsgeld zijn er meer manieren om investeringen in landschappen te financieren.

‘Met rood-voor-groenprojecten kun je behoorlijk wat geld genereren', aldus Van der Vliet. ‘Een goed voorbeeld is het project Marickenland in de gemeente Ronde Venen, waarbij per woning 7.500 euro wordt gestoken in regionale natuurontwikkeling. Dit levert dus een woonwijk op plus een groengebied. Dit voorbeeld toont aan dat het kan, maar alles staat of valt bij een integrale grondexploitatie.'

Samenvatting

Het Nederlands cultuurlandschap schreeuwt om aandacht: een integrale aanpak is een vereiste, als het aan het Nationaal Groenfonds en het Nationaal Restauratiefonds ligt. Gezamenlijk geven zij hun aanbevelingen die bijdragen tot een betere samenhang tussen monument en omgeving in het rapport ‘Investeren in landschap'. Een integrale visie voor het cultuurhistorische landschap ontbreekt.

Er moet iets gebeuren om de landschappen te beschermen. Het huidige nationale landschapsbeleid is verwoord in de Nota Ruimte (2004). Hierin zijn twintig gebieden aangewezen als Nationale Landschappen waarover het Rijk de regie voert. Planologische duidelijkheid is een eerste vereiste voor integraal landschapsbeleid. Daarbij zijn de gevolgen van decentralisering een punt van aandacht.

En er is geld nodig. Onder aan de streep blijkt dat er per jaar 259 miljoen euro nodig is, terwijl er maar 12 miljoen euro is gereserveerd. Een financiële impuls vanuit het Rijk staat dus hoog op het verlanglijstje van het Nationaal Groenfonds en het Nationaal Restauratiefonds. Concrete suggesties om geld voor landschappen te genereren, worden in het rapport uitgewerkt.

 

Thema: Groen, Beleid
Uit NAW #24 - Voorjaar 2007 - pagina 50-54
Auteur Christine van Eerd
Beeld Reinier Gerritsen