Al sinds de start van de ontwikkeling van Vinex-wijken is er discussie geweest over de kwaliteit. Met name de architectuur, de woningprijzen, de bereikbaarheid en het voorzieningenniveau zijn onderwerp van hevige kritiek. Nu de grote bulk van Vinex is gerealiseerd, blijkt uit onderzoek dat de bewoners over het algemeen heel tevreden zijn over hun wijk. NAW legde een aantal prominente ‘smaakmakers’ uit het publieke debat stellingen voor over de kwaliteit van Vinex. Met als insteek: hoe kunnen we leren van Vinex voor de grote woningproductie die er tot pakweg 2020 nog aan zit te komen?
De conclusie in de Volkskrant van een recent promotieonderzoek liegt er niet om: ‘Leefbaarheid Vinex-wijken beroerd’ kopt het dagblad. De kritiek spitst zich toe op de voorzieningen: te weinig parkeerplekken, buurtvoorzieningen en groen. De gemeenten zouden een te beperkte visie hebben op duurzame ruimtelijke kwaliteit. Over hun woning zijn de meeste bewoners tevreden, blijkt uit hetzelfde onderzoek. Hoe beroerd is het nou eigenlijk echt gesteld met Vinex?
‘Wijken moeten niet als compleet nieuwe werelden in het midden van niets worden gelegd’
Na de aanvankelijk overdonderende kritiek zijn er inmiddels ook heel wat meer positieve geluiden te horen over de kwaliteit van de nieuwbouwwijken. De eerste stelling luidt dan ook: Er is niks mis met de kwaliteit van Vinex. Op de voorzieningen na moeten we toekomstige uitbreidingswijken op dezelfde manier aanpakken. De gesprekspartners vinden dat deze stelling wel wat nuance behoeft en dat deze te algemeen is.
|
aron Betsky: ‘Je moet niet gaan generaliseren en alle Vinex-wijken op één hoop gooien. Sommige Vinex-wijken vind ik afschuwelijk, die zouden beter afgebroken kunnen worden. Maar andere zijn juist heel geslaagd en zullen met de tijd alleen maar beter worden.
Voor mij gaat het om de manier waarop ze zijn vormgegeven: wijken moeten niet als compleet nieuwe werelden in het midden van niets worden gelegd. Het gaat erom nieuwe vormen van gemeenschappen door het landschap te vervlechten. Leidsche Rijn in Utrecht vind ik wat dat betreft heel goed gedaan.’
Ook Henk van Zandvoort vindt een groot aantal wijken ‘bijzonder geslaagd’: ‘Neem bijvoorbeeld de manier waarop er met groen is omgegaan in Vathorst in Amersfoort. De omgevingskwaliteit van het landschap is volledig benut. Slotenpatronen en mooie oude bomen zijn opgenomen in de structuur van de wijk. Maar de ene wijk is de andere niet, er zijn veel kwalitatieve verschillen. In andere wijken is weer veel bezuinigd op groen. Het voorzieningenniveau is de verantwoordelijkheid van de overheid. Er wordt vaak op beknibbeld of ze komen te laat. We zijn wat dat betreft te zuinig, en dat breekt je uiteindelijk op.’
Compromis
Met name wat betreft ontsluiting en bereikbaarheid is er ‘best wel wat mis met de kwaliteit van Vinex’, meent Bas Jan van Bochove.
‘Niet alleen de voorzieningen zoals groen, scholen en winkels, maar de hele bereikbaarheid zowel over de weg als met het openbaar vervoer laat te wensen over.
Voor de nieuwe grote uitbreidingen die op stapel staan vraagt de ontsluitingsproblematiek forse aandacht. Denk aan Valkenburg en Almere: als we er niet in slagen om openbaar vervoer- en wegontsluitingen adequaat en tijdig te organiseren, dan kunnen we beter besluiten om helemaal niet te gaan bouwen.
Zo luidde ook de strekking van mijn amendement op de Nota Ruimte: eerst bewegen, dan bouwen. Het is vreemd dat wij in Nederland daar kennelijk de urgentie niet zo van inzien. Denk maar aan de huidige problematiek rondom de IJmeerverbinding en A6/A9; eerst hebben we grote kernen gebouwd in de polder zonder na te denken over de ontsluiting, en nu zitten we in de problemen. En Leidsche Rijn is in feite weer hetzelfde verhaal.’
Ook voor Wim Derksen is het een beetje te snel door de bocht om te stellen dat er niks mis is met Vinex. ‘Vinex is een compromis. Het is bedoeld als stedelijk; dat is het niet geworden, maar het is ook niet groen wonen. Uit het onderzoek van het Ruimtelijk Planbureau ‘De landstad’ blijkt dat een grote groep mensen graag groenstedelijk of landstedelijk wil wonen. Kleinschalig, in een groene omgeving met stedelijke voorzieningen in de buurt. Veel Vinex-wijken leveren dat niet. Positieve uitzonderingen zijn onder andere Brandevoort in Helmond en Haverleij in ’s Hertogenbosch.
Tweede Kamerlid voor het CDA |
Maar ook de iets kleinere groep die graag stedelijk wil wonen wordt niet bediend door Vinex. Veel Vinex-wijken zijn vlees noch vis.’
De oplossing die Derksen ziet, is dat er veel meer kleinschalig gebouwd moet gaan worden, bijvoorbeeld in particulier opdracht geverschap. Hij onderschrijft hiermee de tweede stelling, die luidt dat de consument een voorkeur heeft voor organische, klein schalige nieuwbouw. Er is daarom behoefte aan nieuwe concepten voor landelijk of suburbaan wonen en we moeten vooral geen nieuwe groot schalige uitbreidingswijken tegen de steden aan bouwen.
Wim Derksen: ‘Ik begrijp het rijk wel, dat denkt we moeten de komende jaren nog tientallen duizenden woningen bouwen, en dus grote locaties nodig hebben. Maar dat is niet per se noodzakelijk; ook met kleinere plekken kunnen we de aantallen gemakkelijk halen. We moeten vooral het organische weer terugbrengen. De huidige decentralisatie is goed, ook voor de Randstad, maar gemeenten moeten niet meer in traditionele zin buitenwijkjes aan de bestaande kern plakken. Gemeenten moeten worden gestimuleerd om met nieuwe, meer organische concepten te komen. Een interessant voorbeeld vind ik Leeuwarden-Zuid, waar niet weer het stedelijke tapijt gewoonweg verder is uitgerold, maar waar aan de rand van de stad nieuwe dorpen op organische manier worden ontwikkeld.’
Verstrooiing
Ook Van Bochove ziet kansen voor het bijbouwen in bestaande kernen, ook als het om aantallen gaat. ‘We moeten absoluut niet het platteland gaan volbouwen, maar als we innovatieve concepten ontwikkelen – bijvoorbeeld met intensief ruimtegebruik – en als we op een creatieve manier omgaan met de ruimte, is er verrassend veel mogelijk. We moeten keuzes durven maken. Denk bijvoorbeeld aan verouderde bedrijven terreinen: wat wil je nou eigenlijk wel en wat niet in stand houden? De Nota Ruimte heeft mogelijk gemaakt dat de rode en groene contouren worden losgelaten.
Gemeenten mogen weer bouwen voor hun eigen leefomgeving. Dat komt de leef baarheid van de dorpen ten goede: zoon of dochter kan de slagerij of de bakkerij overnemen en vader en moeder kunnen in de buurt een passende nieuwe woning vinden. Overigens moet je ook bij de kleinschalige uitbreidingen niet één concept hanteren. Per locatie moet je aansluiten bij de specifieke situatie.’
‘Ook in grootschalige uit breidingen werken met klein schalige en op maat gesneden concepten’
Toch is in de ogen van Van Bochove gezien de druk op de woningmarkt en de grote aantallen woningen die nog gebouwd moeten gaan worden, niet te ontkomen aan enkele grote uitleglocaties.
‘De voorkeur van de Nederlander gaat nu eenmaal uit naar een grondgebonden woning. En als je bedenkt dat we alleen al in de periode 2005-2010 uitgaan van 420.000 nieuwe woningen, dan ontkom je niet aan ontwikkelingen zoals de Zuidplaspolder bij Gouda en Rijnenburg bij Utrecht.’
directeur Ruimtelijk Planbureau (RPB) |
Ook Henk van Zandvoort en Aaron Betsky vinden het niet realistisch om te denken dat dergelijk grote aantallen woningen volledig in kleinschalige locaties kunnen worden weggezet. Van Zandvoort: ‘Er is een enorm tekort aan woningen en dat zal alleen nog maar toenemen.
Tegelijkertijd zie je een differentiatie in de vraag ontstaan. Er komt een grote vergrijzingsgolf aan en dat is een deel van de markt dat weet wat het wil. Men vraagt kwaliteit en men is bereid erin te investeren. Het is de nieuwe ‘I want it nowgeneratie’, die gaat echt niet zitten wachten tot die boom is volgroeid. Men heeft het pensioen goed geregeld en gaat voor comfort. Vlakbij de kinderen, of in de stad met allerlei spannende voorzieningen naast de deur. Of juist eindelijk terug naar Zeeuws-Vlaanderen. In ieder geval is het geen groep die je in een tweede Leidsche Rijn onder kan brengen. Ook in meer grootschalige uitbreidingen zul je met kleinschalige en op maat gesneden concepten moeten werken.’
Betsky ziet bovendien een grote financiële consequentie. ‘Kleinschaligheid kost geld. Natuurlijk kan de consument wel van alles willen, maar hoe realistisch is dat? Als je nieuwe dorpen gaat bouwen, krijg je onvermijdelijk hogemiddenklasse-wijken, tenzij de overheid er flink op toelegt. Massaproductie is nu eenmaal goedkoper en dus is voor grote groepen mensen grootschaligheid de realiteit. Het gaat er vooral om hoe je de grootschaligheid zó gaat ontwerpen dat er toch een gevoel van gemeenschapsbouw ontstaat, dat het op een goede manier gebeurt.
Het is beter om de verstrooiing van de stad te sturen dan dat je het láát gebeuren, want dan krijg je grote verschillen tussen rijke mensen in lommerrijke wijken en nieuwe Mietskazernen voor degenen die het niet kunnen betalen aan de randen van de stad. Dat was het goede van Vinex, daarin werden plekken voor de verstrooiing aangegeven. Daarom hebben we nu eigenlijk een Vijvex nodig: om beter aan te geven hoe we dit laten plaatsvinden en hoe we met de voorzieningen in de nieuwe wijken om gaan. Er moet veel meer dan bij Vinex rekening worden gehouden met de omgeving; aandacht bijvoorbeeld voor de openbare ruimte als ontmoetingsplek.’
Uitdaging
‘Met ons systeem van regelgeving is het haast onmogelijk om de productie omhoog te krijgen’
Ook over de derde en laatste stelling verschillen de meningen. De stelling luidt: In de periode 2005-2010 moeten er volgens het kabinet 420.000 woningen worden gebouwd, dat zijn er 100.000 méér dan gepland voor de periode 2000-2005. Dit lukt alleen als de regelgeving wordt versoepeld.
Van Zandvoort beaamt dit: ‘Met ons systeem van regelgeving is het haast onmogelijk om de productie omhoog te krijgen. We zijn hierin te ver doorgeschoten, zeker als je die vergelijkt met het buitenland. Denk maar aan de waanzin rondom de norm energieprestatiecoëfficiënt (de energie-efficiëntie van een nieuwe woning in één getal uitgedrukt) waarmee met nieuwbouw rekening gehouden moet worden. Denemarken en Zweden zijn landen die qua cultuur erg op Nederland lijken.
Er is alleen één groot verschil: de procedures gaan er zeker twee keer zo snel. Het heeft te maken met een zekere stroperigheid van regelgeving en functioneren van de overheid. Het zit in onze volksaard: we zijn nu eenmaal een land dat het allemaal wil regelen. Maar het is een probleem, zeker nu de opgave steeds ingewikkelder wordt. De gemakkelijke stukjes grond zijn nu wel bebouwd. Het gaat in toenemende mate om ingewikkelde gebiedsont wikkelingstrajecten. En er komt nog een gigantische opgave aan in de herstructurering van de zeventigerjaren-wijken. Er komt dus nog wel wat uitdaging aan.’
voorzitter van de directie Bouwfonds Property Development |
Ook Wim Derksen onderschrijft de stelling. ‘We moeten veel minder regels hebben, zodat we sneller en beter kunnen bouwen. Want de opgave is niet alleen kwantitatief, maar zeker ook kwalitatief. De welvaart zal verder stijgen en daarmee stijgt de behoefte aan betere woningen. Als je gaat bouwen voor waar écht behoefte aan is, dan is particulier opdrachtgeverschap een goede oplossing.
Maar de regelgeving is nog geënt op massaproductie en projectontwikkelaars. De opgave voor de overheid is om ruimte te laten voor particulier opdrachtgeverschap en dat tegelijkertijd op een goede manier te begeleiden. Niet kavels uitgeven en de mensen maar iets neer laten plempen. Met weinig regels – alleen een paar heldere richtlijnen voor bijvoorbeeld straatbreedtes en dakgoothoogtes – ontstaan er dan kansen voor heel interessante, afwisselende straatbeelden. De overheid zou zich vooral bezig moeten houden met dat hogere, stedenbouwkundige schaalniveau, niet met de woning zelf.’
Veiligheid
Tweede Kamerlid Van Bochove relativeert de belemmerende invloed van de regelgeving. ‘De regelgeving wordt tegenwoordig wel erg vaak gebruikt als verklaring voor het feit dat er zo weinig wordt gebouwd. Terwijl we in de negentiger jaren met dezelfde regelgeving te maken hadden, en die vormde toen helemaal geen belemmering voor de woningproductie. Bovendien zijn kabinet en parlement inmiddels bezig de touwtjes flink aan te trekken. De regelgeving wordt verbeterd en gemoderniseerd – denk maar aan de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Grondexploitatiewet.Een veel fundamenteler punt is het gebrek aan adequate kennis op het gebied van de regelgeving bij de verschillende overheidsorganen. Er is te veel kennis en knowhow wegbezuinigd.’
Ook Aaron Betsky vindt niet dat de regelgeving het grootste probleem is. ‘Het is nogal gemakkelijk om daarover te klagen. Maar pas als het misgaat, zie je dat er wel degelijk een reden is voor de regelgeving; denk maar aan het debacle in Bos en Lommer. Uiteraard moet de regelgeving wel goed toepasbaar zijn en er is inderdaad een tendens tot uitdijen. Toch blijft strikte regelgeving noodzakelijk, zeker in een tijd van een terugtredende overheid. De regelgeving fungeert als een negatieve rem op tendensen die inherent zijn aan het overlaten van de woningproductie aan de markt.
Uiteraard moeten bedrijven hun winsten maximaliseren, maar omwille van de kwaliteit moeten onder meer door regelgeving limieten worden gesteld. Die regels zouden een bepaald minimum moeten aangeven, zoals aan open ruimte of aan veiligheidsmaatregelen. Er moet in ieder geval voor nieuwe wijken meer rekening worden gehouden met veiligheid, zeker met de vergrijzing en de groter wordende sociale afstand tussen mensen. In de toekomstige opgave gaat het erom een zodanig weefsel te creëren dat het mensen een gevoel van veiligheid biedt en ze tegelijkertijd samenbindt. Nieuwe gemeenschappen maken, dat is de grote opgave.’
|
Leren van Vinex – in het kort:De ontwikkeling van Vinex-wijken is al jaren onderwerp van gesprek. Hoewel de bewoners zelf erg tevreden zijn, lijkt de kritiek maar niet te verstommen. Het is nuttig te kijken naar aspecten waarvan we in de toekomst kunnen leren. Vinex-wijken, grootschalige uitbreidings locaties aan de rand van bestaande kernen, zijn in het verleden vaak gerealiseerd zonder stil te staan bij het noodzakelijke voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en het groen. Dit is in sommige wijken ten koste gegaan van hun leefbaarheid en kwaliteit. De combinatie van stedelijk en groen wonen sluit niet aan bij de woonwensen van een groep woonconsumenten die liever kleinschalig woont. Voor de toekomst zou de enorme woningproductie – 420.000 woningen in de periode 2005-2010 – deels kleinschaliger gerealiseerd kunnen worden. Toch blijft ook de noodzaak van grootschalige wijken bestaan om te kunnen beantwoorden aan de immense woningvraag in Nederland. Verder is het noodzakelijk regelgeving van overheidswege te verbinden aan minimale kaders, waardoor vooral de veiligheid en kwaliteit van de woongebieden worden gewaarborgd. |
Thema: Vinex, uitleglocaties, Beleid
Uit NAW #22 - najaar 26 - pagina 44-49
Auteur Anne Luijten
Beeld Peter van Breikelen, Aerocamera Hofmeester
Aaron Betsky,
Bas Jan van Bochove,
Wim Derksen,
Henk van Zandvoort,