Overstromingen in Azië en – dichter bij huis – in Engeland. Ook deze zomer werden we overspoeld met berichtgeving over extreme weersomstandigheden ten gevolge van klimaatverandering. Hoewel rampscenario’s als in Groot-Brittannië in Nederland minder snel denkbaar lijken, zullen ook wij onafwendbaar worden geconfronteerd met de gevolgen van de opwarming van de aarde. Bestuurders en beleidsmakers zijn naarstig bezig beleid te ontwikkelen voor het klimaatbestendig maken van Nederland. Daarbij geven zij aan graag gebruik te maken van de kennis en creativiteit en niet te vergeten de daadkracht van ontwikkelaars en bouwers. ‘Door marktpartijen in een vroeg stadium bij gebiedsinrichting te betrekken, kan straks de slag naar de uitvoering sneller worden gemaakt.’

Het besef dat de aarde opwarmt is de laatste jaren – met dank aan Al Gore en opeenvolgende natuurrampen – in volle hevigheid tot de samenleving doorgedrongen. De kranten staan vol met berichten over smelten de poolkappen en de stijgende zeespiegel. Naast zogeheten mitigerende maatregelen om het broeikaseffect een halt toe te roepen of op z’n minst te beperken door het mondiaal terugdringen van CO2 uitstoot, zijn ook adaptieve maatregelen (aanpassingsmaat regelen) noodzakelijk om onze laaggelegen delta voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering.

‘Dit besef sijpelde eigenlijk voor het eerst door in de eerste helft van de jaren negentig. De extreem hoge rivierwaterstanden in de winters van 1993 en 1995 waren in eerste instantie aanleiding om normeringen nog eens goed onder de loep te nemen en dijken te verzwaren. Maar allengs begonnen water beheerders zich te realiseren dat dit uiteinde lijk geen afdoende bescherming zou bieden.Het overtollige water moest ook ergens heen kunnen; er moest ruimte komen voor water berging.

Na de millenniumwisseling kwam Rijkswaterstaat met het programma Ruimte voor de Rivier en in die periode werd ook de Watertoets ingevoerd. Het Rijk, provincies en gemeenten hebben dit juridische instrument in het leven geroepen om bij ruimtelijke plan vorming het belang van water te borgen en te anticiperen op klimaat verandering.

In 2006 kreeg de klimaat discussie weer een nieuwe impuls toen onder meer het startsein werd gegeven voor het Nationaal Programma Adaptatie Ruimte en Klimaat (ARK). Rijk, provincies, gemeenten, bedrijven, wetenschap en maatschappelijke organisaties werken binnen ARK samen om de ruimtelijke inrich ting van Nederland klimaatbestendig te maken.’ Aldus schetst Friso de Zeeuw, directeur Nieuwe Markten van Bouwfonds MAB Ontwikkeling de verschillende stadia die de klimaatdiscussie in Nederland tot nu toe heeft doorlopen.

‘Plannen niet laten vastlopen in een eindeloos notatraject’

De hype voorbij

Maatregelen om Nederland klimaatbestendig te maken, lijken het tij mee te hebben nu klimaatverandering ook maatschappelijk een ‘hot item’ is. Volgens Maarten Hajer van de VROM-raad biedt dit enerzijds een ‘window of opportunity’ voor beleidsmakers, anderzijds kleven er ook risico’s aan de hype rond klimaatverandering.

Hajer is voorzitter van de werkgroep die deze zomer het advies ‘De hype voorbij. Klimaatverandering als structureel ruimtelijk vraagstuk’ uitbracht.

‘In de eerste plaats is er het gevaar van onjuiste of gefragmenteerde beeldvorming. In de berichtgeving in de media ligt bijvoorbeeld de nadruk op de stijging van zeespiegel. Door het grote publiek wordt dit als de grootste bedreiging gezien.’

Ten onrechte, volgens Maarten Hajer: ‘In werkelijkheid komt het water van alle kanten. Rivieren krijgen een toenemende hoeveelheid smelt- en regenwater te verwer ken. Door de stijgende zeespiegel welt zout kwelwater op uit de bodem. De verzilting die daarmee gepaard gaat, heeft gevolgen voor de teelt van gewassen. Riolen en afwateringssystemen krijgen steeds meer problemen om overvloedige regenval te verwerken. Aan de andere kant neemt na lange droogteperiodes het risico op dijkdoorbraken, zoals in Wilnis, toe.’

Samenhangende aanpak

‘Kortom, de gevolgen van klimaatverandering zijn buitengewoon complex en bovendien omgeven met onzekerheid’, vervolgt Hajer. ‘Dat maakt het voor bestuurders en beleidsmakers lastig om goed te reageren op het probleem. Er wordt te weinig nagedacht over de effecten van nieuwe ingrepen op termijn van decennia. Nu is er aandacht en lijkt iedereen het eens over de noodzaak van aanpassingen. Die aandacht is straks ook nodig als weer andere thema’s dominant zijn. Wij vinden dat klimaatverandering structureel uitgangspunt en aanleiding moet zijn voor een nieuw strategisch ruimtelijk beleid.’

Ook Friso de Zeeuw heeft zijn bedenkingen bij het huidige hypedenken over klimaatverandering, maar vanuit een heel andere optiek: ‘Volgens mij schieten we door als we water al te rigide bombarderen tot hét leidend principe in de ruimtelijke ordening. In de praktijk werkt het zo niet, want water – hoe maatschappelijk urgent ook – is één van de maatschappelijk te accommoderen functies. We moeten ook flexibel genoeg kunnen zijn om die functies op een creatieve manier te combineren of te integreren.’

Maarten Hajer onderkent het gevaar van kokerdenken. ‘Bestuurders en beleidsmakers hebben de volledige omvang van het probleem en de bijbehorende onzekerheid onvoldoende in beeld. Hierdoor zijn ze geneigd om te komen met oplossingen voor deelproblemen en zien ze de samenhang met andere problemen over het hoofd. Zulke defensieve sectorale oplossingen negeren de kansen die een samenhangende offensieve benadering van klimaatproblemen biedt.’

Kennis en creativiteit

Het is tijd voor een paradigmaverandering, aldus de VROM-raad. De raad adviseert het ministerie van VROM het voortouw te nemen bij het formuleren van strategisch ruimtelijk beleid met klimaatverandering als uitgangs punt.

‘Daarbij moet zeker ook gebruik worden gemaakt van kennis en creativiteit uit de samenleving. Er ligt een taak voor het Milieu- en Natuur Planbureau om die kennis te verza melen en te inventariseren. Aan het ministerie van VROM is dan de taak om die kennis beschikbaar te maken voor decentrale partijen en kennisuitwisseling te faciliteren’, vindt Hajer.

De VROM-raad adviseert om een spraakmakende manifestatie te organiseren om te komen tot een breed gedragen maatschappelijke visie en optimaal gebruik te maken van kennis en creativiteit uit de samenleving. Daarbij moeten ook markt partijen worden betrokken, vindt Hajer. ‘Door ze er nu bij te halen en niet pas in de uitvoeringsfase, wordt een snelle schakeling naar de uitvoe ring gewaarborgd. Beleidsmakers moeten ervoor waken om plannen niet te laten vast lopen in een eindeloos notatraject.’

Adapatatieprogramma Ruimte en Klimaat

De ministeries van VROM, Verkeer en Waterstaat, Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en Economische en Algemene Zaken hebben inmiddels de krachten gebundeld om Nederland in bestuurlijke zin voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering.

In het Nationaal Adaptatieprogramma Ruimte en Klimaat (ARK) is op hoofdlijnen een strategie geformuleerd voor het omgaan met de effecten van klimaatverandering. ARK is een samenwerkingsverband van de bovengenoemde ministeries met de Vereniging van Neder landse Gemeenten (VNG), de koepelorganisatie van de twaalf provincies (IPO) en de Unie van Waterschappen. Het programma is opgesteld in samenspraak met kennisinstituten.

Onder de titel ‘Maak ruimte voor klimaat!’ is dit voorjaar de nationale adaptatiestrategie van ARK in concept verschenen. Op het moment dat deze NAW verschijnt, ligt de strategie naar verwachting bij de ministerraad. Op basis van de strategie wordt een Adaptatie Agenda 2008-2014 opgesteld met concrete maatregelen om Nederland niet alleen op papier, maar ook in de praktijk klimaatbestendig te maken. Op basis van de strategie en de agenda wordt bepaald hoe deze in de praktijk vorm gaan krijgen. De uitvoering vindt plaats tussen 2008 en 2014.

‘Koplopers meer ruimte geven’

Gebiedsgerichte aanpak

Programmaleider Pieter Bloemen van het directoraat-generaal Ruimte van het ministerie van VROM geeft een toelichting. ‘ARK is geen megaproject; het streven is om op basis van de strategie te zoeken naar gebieds gerichte integrale oplossingen in gebieden waar waterproblematiek of anderzijds droogteof warmteoverlast kan gaan spelen. Als je deze problematiek bij de start van gebieds inrichtings - projecten meeneemt, biedt dat mogelijkheden voor meekoppeling met lopende activiteiten. Zo kun je werk met werk maken.

Klimaatverandering vormt daarbij dus geen apart beleidsterrein, maar een logisch onderdeel in de afweging van ruimtelijke investeringen. Projectontwikkelaars en bouwers zullen daarbij nadrukkelijk worden uitgenodigd om een bijdrage te leveren op het gebied van innovatie en creatieve oplossingen. Als beleidsmakers moeten wij daarvoor de kaders vaststellen en de instrumenten ontwikkelen.’

Pieter Bloemen wijst erop dat bij het klimaatbestendig maken van Nederland vooral ook een grote opgave ligt in de bestaande bouw. ‘Daarbij moet je denken aan overstromingsrisico en overbelasting van platte daken door overvloedige regenval, maar ook aan hittestress die vooral in grote steden een probleem kan gaan vormen. Een mogelijke adaptatiemaatregel is om steden luchtiger te maken met groene en blauwe zones. Blauw voor waterberging en groen voor CO2 reductie en omdat dat koelte geeft. Hierin zit natuurlijk een spanning met het huidige verdichting beleid die zich nog moet uitkristalliseren.’

 

 

Maarten Hajer
VROM-Raad

‘Neem onzekerheid als uitgangspunt’

Wet- en regelgeving

‘Om ruimtelijke plannen te kunnen toetsen op klimaatbestendigheid moeten we eerst een ‘level playing field’ creëren door wet- en regelgeving’, vervolgt Pieter Bloemen. ‘Aan de andere kant moet het ook mogelijk zijn om koplopers meer ruimte te geven in specifieke situaties.’ Friso de Zeeuw, directeur Nieuwe Markten van Bouwfonds MAB Ontwikkeling waarschuwt voor een al te rigide toetsingskader.

‘Met toetsing achteraf lopen we het risico om weer te vervallen in ouderwets milieubeleid. Dan krijgen we dezelfde ellende als die we nu beleven bij de regeling luchtkwaliteit. Dat staat haaks op een ontwik kelingsgerichte houding.’ Pieter Bloemen onderschrijft dit: ‘Het is zeker niet de bedoeling om afrekencriteria te verzinnen om plannen goed of af te keuren. Wel moeten we erover nadenken hoe we kunnen beoordelen of klimaatbestendigheid voldoende in het afwegingsproces is meegenomen.’

‘Onderzoeksbudget besteden in praktijksituaties’

Onzekerheid

Een ander belangrijk aspect van de nationale adaptatiestrategie is het stimuleren van innovatie en kennisontwikkeling in samenwerking met het bedrijfsleven.

Pieter Bloemen: ‘De ministerraad heeft besloten om 50 miljoen euro beschikbaar te stellen voor onderzoek om Nederland aan te passen aan klimaatverandering. Er zijn voorlopig acht ‘hotspots’ aangewezen voor gebiedsgericht onderzoek.’

Friso de Zeeuw adviseert met klem om het onderzoeksbudget vooral ook te besteden in praktijksituaties, waarbij gebruik wordt gemaakt van de creativiteit van markt partijen. ‘Anders blijft het bij droogzwemmen en belandt het geld bij allerlei gesubsidieerde instellingen die met stapels rapporten komen, waar in de praktijk niets mee gebeurt.’

Samenvattend concludeert Pieter Bloemen dat er genoeg ‘sense of urgency’ is. ‘Het moet alleen nog blijken of dat er ook is voor de uitvoeringskant. Adaptatie dwingt ons niet alleen om na te denken over de lange termijn, maar daarvoor ook beleid te ontwikkelen om op de korte termijn beslissingen te kunnen nemen.

En dat terwijl de effecten van klimaatverandering nog heel onzeker zijn. Nederland is wat dat betreft nog heel erg zoekende.’ Maarten Hajer adviseert om juist die onzekerheid als uitgangspunt te nemen. ‘De impact van ARK kan aanzienlijk worden vergroot door blijvende onzekerheid als uitgangspunt te nemen en een uitvoerings agenda daarop te baseren. Gelukkig is die ruimte er nog.’

 

Pieter Bloemen
programmaleider ARK

‘Nederland is nog heel erg zoekende’

Meerwaarde

Een probleem bij de uitvoering van inrich tingsprojecten waarbij water als uitgangspunt wordt genomen, is de financiering van de meerkosten. Volgens Pieter Bloemen ligt de oplossing in slimmer investeren. ‘Dat bete kent dat we nu al moeten investeren voor aanpassingen op de lange termijn. Voor die aanvankelijke meerkosten moeten nog constructies worden bedacht. Denk bijvoor beeld aan een ‘revolving fund’, waarbij de baten ook weer terugvloeien in het fonds.’

Investeren in maatregelen voor het klimaatbestendig maken van Nederland betalen zich later terug, volgens de programmaleider van ARK. Maarten Hajer beaamt dit. ‘In Groot- Brittannië is in 2006 het Sternrapport verschenen. Uit deze kosten-batenanalyse blijkt dat maatregelen tegen de gevolgen van klimaatverandering op langere termijn een kostenbesparing opleveren.’

‘Daarbij kunnen we ook geld verdienen aan de export van innovatieve strategieën of nieuwe woonconcepten’, denkt Pieter Bloemen. Ook Friso de Zeeuw denkt dat het aspect water bij gebiedsontwikkeling kansen biedt.

‘Mensen wonen graag aan het water. Woningen aan het water brengen meer op dan een vergelijkbare woning op een andere plaats. Overigens verwacht ik niet dat we op heel grote schaal drijvende woningen gaan bouwen. Daar is toch te weinig markt voor. Maar het is mogelijk om aantrekkelijke woonmilieus te creëren, in combinatie met waterberging en recreatie en natuurontwikkeling. Bouwfonds is bij diverse projecten betrokken die uniek zijn in de wereld, dus daar liggen zeker kansen en mogelijkheden, ook voor export.’

Grootschalige PPS leidt tot integraal ontwerp waterwoonwijk

 

Bouwen met water in Haarlemmermeer

 

Waterberging voor twee miljoen kubieke meter water in het natte seizoen en voor nog eens één miljoen kubieke meter water bij noodweer. Dat is nodig, wil de Haarlemmermeer ook op langere termijn de voeten droog kunnen houden. Voeg daarbij de noodzaak om locaties te vinden voor 24.000 extra woningen tussen 2010 en 2030. En dat alles binnen de randvoorwaarden van Schiphol, de bollenstreek en het Groene Hart. Het probleem is duidelijk: De Haarlemmermeer kampt met urgent ruimtegebrek.

Op zoek naar een oplossing bundelden provincie, gemeente en waterschap de krachten met marktpartijen en deskun digen. Het resultaat van deze grootschalige publiek-private samen werking is de waterwoonwijk Haarlemmermeer. Een ontwerp dat zorgt voor de integratie van 2.000 woningen met 1 miljoen kubieke meter waterberging.

De waterwoonwijk Haarlemmermeer is het resultaat van het studieproject ‘Bouwen en Wonen’, dat tot stand kwam door publiek-private samenwerking van Provincie Noord-Holland, gemeente Haarlem mermeer, Hoogheemraadschap van Rijnland, Bouwfonds MAB, Dura Vermeer, Ymere, TU Delft, WL Delft Hydraulics, Alterra Wageningen, Royal Haskoning, Advin en Economisch Instituut voor de Bouw nijverheid.

Het studieproject vormt een uniek klimaatbestendig antwoord op het ruimtegebrek in het gebied tussen Schiphol, de bollenstreek en het Groene Hart. Vernieuwend aan het ontwerp is de uiterst efficiënte manier waarop gebruik gemaakt is van de beschikbare ruimte. De wijk heeft niet alleen een woonfunctie, maar fungeert ook als piek- en seizoensberging van overvloedig water. Het resultaat van de combinatie van beide functies is ruimte; ruimte om te leven en financiële ruimte. De waterwoonwijk Haarlemmermeer omvat ruim 2.000 woningen voor alle lagen van de bevolking.

De combinatie van woon- en waterbergings functie maakt het mogelijk ook te investeren in sociale woning bouw. In het programma is uitgegaan van vier waterwoonvormen; holle volle dijkwoningen, terpwoningen, drijvende woningen en paal woningen. Geschat wordt dat de volgende verdeling de marktvraag het beste benadert: holle dijk- en terpwoningen 85 à 90 procent, drijvende woningen 5 à 10% en paalwoningen 2%. Op de holle dijk en de terpen kunnen bovendien in principe alle traditionele woningtypen geplaatst worden.

De vier woningtypen zijn ingebed in een gedifferentieerde omgeving. Waterwoonwijk Haarlemmermeer omvat stedelijke, suburbane én waterrijke landelijke woonmilieus.

Deze differentiatie heeft niet alleen voordelen voor de woonbeleving; het is mogelijk om gedurende het natte seizoen ruim 1 miljoen m3 water in de wijk op te vangen. Het waterpeil fluctueert met 1,5 meter en dit maakt het wonen in de water woonwijk wezenlijk dynamischer dan elders. Waterwoonwijken zoals die in Haarlemmermeer zijn geen uitzondering in ons land.

Nergens anders echter, slaagde men er in daadwerkelijk waterberging in de wijk te realiseren. Dit studieproject bewijst dat we onszelf wel degelijk beter kunnen toerusten voor veranderende weersomstandigheden en wel degelijk ruimte in lagergelegen gebieden van ons land kunnen vinden om veilig van het water te kunnen leven.

Thema: Beleid
Uit NAW #26 - Najaar 2007 - pagina 20-24
Auteur Hanneke Luitwieler
Beeld Don Wijns en anderen