De tijd is er rijp voor, zeggen ze in Utrecht en Apeldoorn. Beide steden voerden een intensief maatschappelijk debat over hoogbouw, en merkten dat de angst grotendeels is verdwenen. In München is een stadsdebat gevoerd over nieuwe hoogbouw in relatie met de hoogte van de Frauenkirche. Hoogbouw lijkt zo onderhand een breed geaccepteerd verschijnsel te zijn, en niet alleen in de grote steden Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Maar ís dat ook zo, en wat kun je als stad doen om aan de gevoelens die in de stad leven tegemoet te komen? Met een nieuw stadssilhouet krijgt een stad immers niets minder dan een nieuwe identiteit? En het open landschap, is dat wel gebaat bij de nieuwe, forse torens die in veel middelgrote steden in rap tempo aan de horizon lijken te verschijnen?



In München was het even slikken voor het gemeentebestuur. In een referendum sprak een nipte meerderheid van de bevolking zich uit tégen hoogbouw. De komende jaren mag er in de Beierse hoofdstad niet hoger worden gebouwd dan de beeldbepalende Frauenkirche, die 99 meter hoog is. Vergevorderde ontwikkelingstrajecten moesten worden gestopt: hoe betrouwbaar is München eigenlijk nog voor investeerders, vraagt Guido Breuer, hoofd projectontwikkeling van de Beierse vestiging van Bouwfonds Immobilienentwicklung, zich af.

Hij schetst het beeld van een stad die verdeeld is tussen traditie en moderniteit, de tegenstelling tussen Laptop und Lederhosen. ‘Eigenlijk was het een hele nipte meerderheid die tegen was. De uitslag was 51 om 49 procent. Maar de gemoederen liepen hoog op, men was uitgesproken voor of tegen, een middenweg was er niet.’

Naast de sterke traditionele inslag van veel Münchenaren en de effectieve lobby van de conservatieve oud-burgemeester Grünewitter, speelt ook de bestaande hoogbouw een rol in de tegenstand, meent Breuer. De directe aanleiding voor het referendum was het gereedkomen van de Hines-toren afgelopen zomer, van 146 meter hoog. Men schrok van de toren die de Frauenkirche als dominante in het stadsbeeld van haar troon leek te stoten.

Dat twee andere nieuwe torens, de Highlight-towers, hét nieuwe baken van München vanaf de snelweg zijn geworden, en ook nog eens het zicht in de belangrijkste historische straten van de stad domineren, is veel Münchenaren in het verkeerde keelgat geschoten. Daar komt nog eens bij dat het grootste deel van de nieuwe kantoortorens leeg staat, en zo aanzienlijk bijdraagt aan het leegstandspercentage van kantoren in München van tien procent, het hoogste ooit. ‘De mensen vragen zich af waarom al die nieuwe torens eigenlijk nodig zijn’, zegt Guido Breuer.

’n Tikkeltje minder

‘De maatschappelijke acceptatie van hoogbouw is beduidend groter’

In Nederland lijkt ondertussen de heftige maatschappelijke weerstand zoals die in München heerst, tot bedaren te zijn gekomen, aldus Jan Laan. Laan is vicevoorzitter van de Stichting Hoogbouw, dat vorig jaar haar twintigjarig jubileum vierde.

De Stichting Hoogbouw is opgericht met als doel hoogbouw in Nederland maatschappelijk aanvaardbaar te maken, en heeft altijd ingezet op hoogbouw als middel om stedelijke concentratie te bereiken en effectief om te gaan met de schaarse ruimte door middel van meervoudig ruimtegebruik.

In twintig jaar tijd is er zeker veel veranderd, vindt Laan. ‘De maatschappelijke acceptatie van hoogbouw is nu beduidend groter. Maar hoogbouw heeft ook een eigen plek verworven in de stedenbouw en architectuur. In de centra van de grote steden is het een geaccepteerd verschijnsel, waar je wonen en werken, voor-zieningen en openbaar vervoer-infrastructuur kunt combineren. Het zijn inmiddels bijna ‘logische’ plekken voor hoogbouw.’

De Stichting Hoogbouw is niet voor hoogbouw op álle plekken. ‘De stedelijke centra kunnen het hebben, hoewel je goed moet kijken wat hoogbouw met je historische kern doet. Plaats de hoogbouw altijd zorgvuldig ten opzichte van historische torens en andere bakens.’

Een nieuwe trend lijkt te zijn dat veel middelgrote steden hoogbouw inzetten om aan hun stadsranden nieuwe (kantoren)centra te laten ontstaan. Een trend waar Laan niet onverdeeld blij mee is. ‘Hoogbouw in de periferie brengt zijn eigen problemen met zich mee. Zo’n hoge kolos heeft een enorme impact op het land-schap, zeker in ons open, doorgaans weinig geaccidenteerde landschap. De dominantie van een toren reikt visueel heel ver door. Als ik door het Friese land rijd en van verre die nieuwe toren in Leeuwarden zie, dan vraag ik me echt af of het niet een tíkkeltje minder kan.’

Architectuur kan dan trouwens een groot verschil maken, vindt Laan. ‘Een slanke toren wordt toch als minder ‘fors’ ervaren dan een wat meer plomper geval.’ Een andere trend die Jan Laan signaleert is dat steeds meer gemeenten beleid ontwikkelen over hoogbouw. Men wil niet meer ad-hoc, per aanvraag of opgave een beslissing moeten nemen, maar een visie ontwikkelen op de gehele stad. Absoluut noodzakelijk, vindt Laan, hoewel het eigenlijk nog beter zou zijn als er op regionaal niveau beleid zou worden gevoerd, gezien de impact van perifere hoogbouw op het omringende landschap.

Draagvlak

‘Het effect van hoogbouw gaat vooral over zichtlijnen’

Een gemeente die momenteel druk bezig is met het ontwikkelen van beleid over hoogbouw, is Apeldoorn. Ook deze stad kreeg met name bij (kostbare) herstructureringsopgaven steeds vaker de vraag hoe hoog er mocht worden teruggebouwd.

‘Om iedere keer ad-hoc te moeten reageren, óók op de maatschappelijke commotie die vaak ontstaat, dat schiet niet echt op als je met de stad aan de slag wilt’, zegt wethouder ruimtelijke ontwikkeling Marja van der Tas. Apeldoorn nam de maatschappelijke discussie serieus – ‘uiteindelijk is draagvlak belangrijker dan beleid’, aldus Van der Tas. De gemeente heeft het lokale architectuurcentrum opdracht gegeven om een aantal debatten over hoogbouw te organiseren.

‘Een paar jaar geleden had dit nog absoluut niet gekund. Maar de tijd lijkt rijp om met elkaar op een zinnige, inhoudelijke manier over voors en tegens te praten. De beladenheid is eraf, het gaat niet meer alleen over mooi of lelijk.’ Een belangrijke conclusie van de zojuist afgesloten debattenreeks is voor Van der Tas dat Apeldoorn niet meer bang lijkt te zijn voor hoogbouw. ‘Er waren geen heftige discussies en de zalen zaten niet bomvol. Er waren geen zware tegenstanders tegen onze voornemens om beleid te ontwikkelen voor hoogbouw. De discussie was duidelijk het stadium van onderbuikgevoelens voorbij en kreeg echt inhoud.’

Belangrijk daarbij was de input van een breed scala van externe deskundigen, zoals vertegenwoordigers van marktpartijen, architecten en stedenbouwkundigen, een medewerker van het Nederlands Architectuur instituut en van de Stichting Hoogbouw. Van der Tas: ‘Wij hebben echt geléérd van deze bijeenkomsten.’

En anders dan in München heeft Apeldoorn een positief voorbeeld uit het recente verleden. Eerder was de tegenstand tegen de nieuwe torens van het belasting-kantoor behoorlijk stevig.

Inmiddels is een van de torens gereedgekomen en blijkt het allemaal wel mee te vallen. ‘Men ziet dat zo’n toren ook mooi kan zijn. Bovendien ontdekken mensen dat het effect van hoogbouw vooral gaat over zichtlijnen op afstand. Kom je dichterbij een hoog gebouw dan is het effect veel minder. Veel tegenstanders bevonden zich toch in de directe nabijheid van het belasting-kantoor en zij vinden de verwachte negatieve effecten nu alleszins meevallen.’

De inzet van het Apeldoornse bestuur is de norm dat niet hoger mag worden gebouwd
dan het hoogste punt op de Veluwe. Gezien de hoogteverschillen in de stad zal per locatie de maximale hoogte variëren, maar de nieuwbouw zal niet boven het Veluwemassief uit mogen prikken. Tijdens de debatten verraste het Van der Tas dat deze norm geen dwingende rol speelde. Kennelijk is het maximale plafond geen echt item meer.

Maar nog belangrijker dan de precieze hoogte vindt Van der Tas het uitgangspunt dat vooral naar kwaliteit zal worden gekeken. Van der Tas: ‘Dat betekent bijvoorbeeld dat hoogbouw alleen op specifieke plekken in de stad mag komen. Daar waar het echt een toevoeging aan de stad kan betekenen. Bovendien stellen we: hoe hoger het gebouw, en dus hoe zichtbaarder, des te hoger de kwaliteit moet zijn. Zo’n gebouw moet echt iets te betekenen hebben voor de stad, zowel in de lucht als op de grond.’


Nieuw stadshart

‘Oude hoge torens zijn vaak maatgevend voor nieuwe hoogbouw’

In Utrecht zijn ze inmiddels al een stap verder. De gemeenteraad heeft voor de Domstad begin dit jaar een hoogbouwvisie vastgesteld. Een aantal jaar geleden werd het UCP-plan van Riek Bakker voor het stationsgebied nog door de bevolking afgewezen, mede door de forse hoogbouw die het plan in de directe nabijheid van de Domtoren mogelijk maakte.

De aanvraag van de Rabobank om bij het Centraal Station hoger te bouwen dan de Domtoren, vormde de aanleiding om, samen met de bevolking, opnieuw te kijken welke kansen en beperkingen er voor hoogbouw zouden moeten gelden.

Net als in Apeldoorn is nadrukkelijk het debat met de bevolking aangegaan, onder meer door een publieke discussieavond, een openbare hoorzitting met externe deskundigen en het openen van een interactieve website.

Etienne Salet, projectleider Hoogbouwvisie bij de Dienst Stadsontwikkeling, maakte het proces van dichtbij mee. Ook hij constateert dat de tijd er rijp voor was. ‘Er wordt veel genuanceerder gedacht dan een aantal jaar geleden, zowel bij de bevolking als bij de plannenmakers. Tegelijkertijd zie je een duidelijke behoefte, zowel aan hoogstedelijk wonen, als bij zakelijke dienstverleners die zich met een mooi gebouw willen profileren.’

De nieuwe zorgvuldigheid heeft duidelijk een plek gekregen in het beleid. De Utrechtse hoogbouwvisie verdeelt de stad in drie soorten gebieden, waarbinnen verschil-lende kwaliteiten en bouwhoogtes zijn benoemd. Hoogbouw wordt geconcentreerd in de ‘Centrale Zone’, die loopt tussen de westkant van het CS naar de Leidsche Rijn.

De Centrale Zone linkt de binnenstad aan het nieuwe stadsdeel ten westen van de stad, waarbij op het grenspunt tussen beiden, ter hoogte van de A2, het nieuwe Centrum Leidsche Rijn zal komen. In dit nieuwe centrum mogen de bomen letterlijk tot in de hemel reiken, de bouwhoogte is er volledig vrij gelaten.

Etienne Salet: ‘De maximale bouwhoogte in de bestaande stad, bij het CS, is gerelateerd aan de 112 meter hoge Domtoren en mag niet hoger dan 90 meter worden. Het Centrum Leidsche Rijn, boven op de A2, wordt een groot, nieuw stadshart. Hoogbouw markeert die hoogstedelijke functie en maakt de plek bij wijze van spreken al vanaf Amsterdam zichtbaar.’

Hoe men aankijkt tegen het beleid ten aanzien van hoogbouw wisselt per gemeente. In verschillende steden gaan bestuurders in debat met bewoners om aan hun gevoelens tegemoet te komen. Oude hoge torens, als de Dom in Utrecht of de Frauen-kirche in München, zijn vaak maatgevend voor nieuwe hoogbouw. Standaard oplossingen zijn er, zeker als het gaat om hoogbouw, niet. Het gaat altijd om maatwerk.

 

Thema: Ontwerp, Beleid
Uit NAW #17 - zomer 2005 - pagina 28-32
Auteur Anne Luijten
Beeld Lukk Kramer en Anita Tjong